Gele aardappel, rijk van smaak en oogst
Kenmerken
Tuinieren
Locatie
Aardappel 'Bindje' – bewaard rasklassiek voor de moestuin
De Bintje is een van de meest geteelde aardappelrassen in Nederland. Met zijn gele vruchtvlees, bloemige structuur en brede gebruiksmogelijkheden is dit ras geschikt voor zowel de ervaren kweker als de beginner.
Wat maakt de Solanum tuberosum Bintje zo geschikt voor thuisteelt?
De Bintje produceert grote, langwerpige knollen met een dunne schil en geel vruchtvlees. De bloemige structuur maakt hem ideaal voor hutspot, aardappelpuree en gebakken aardappelen. Dit ras rijpt middenlaat, met een oogst die mogelijk is van augustus tot oktober.
Als u kiest voor kwalitatief Aardappelpootgoed, start u met gezond uitgangsmateriaal dat een betrouwbare opbrengst garandeert. Willemse levert pootgoed dat klaar is om direct in de grond te gaan.
Waar en hoe plant u de Bintje aardappelen het best?
Plant de knollen op een zonnige plek in diepe, losse en goed doorlatende grond. Zandgrond of lichte leemgrond geeft de beste resultaten. Vermijd zware kleigrond die water vasthoudt, want dat verhoogt het risico op knolrot.
Plant de pootaardappelen op 60 cm afstand van elkaar en 10 tot 12 cm diep, tussen maart en mei. Aanaarден zodra de scheuten 15 cm hoog zijn beschermt de knollen tegen vergronding en verbetert de opbrengst.
Onderhoud en oogst in de moestuin
De Bintje vraagt matige maar regelmatige watervoorziening, vooral tijdens de knolvorming. Vermijd wateroverlast. In een goed ingerichte Moestuin levert dit ras een stevige hoeveelheid knollen per plant op.
Oogst de aardappelen vanaf augustus wanneer het loof begint te vergelen. Laat de knollen na het rooien enkele uren drogen op de grond voor u ze opslaat op een koele, donkere en droge plek.
Praktische tips voor een goede oogst
PRO TIP : Aardappel 'Bindje'
U plant Bintje het best tussen maart en mei, zodra de bodemtemperatuur minimaal 8°C bereikt. In Nederland valt de ideale planttijd doorgaans in april. Voorkiem het pootgoed twee weken op voorhand op een lichte, vorstvrije plek voor een vlottere opkomst.
Plant de knollen op 10 tot 12 cm diepte. Te ondiep planten vergroot het risico op vergronding van de knollen. Dek de rij na opkomst aan met aarde zodra de scheuten 15 cm hoog zijn om de knolvorming te stimuleren.
Laat de geoogste knollen enkele uren drogen op de grond. Bewaar ze daarna in een koele, donkere en goed geventileerde ruimte bij 4 tot 8°C. Verwijder beschadigde knollen voor opslag om rotverspreiding te voorkomen.

















