Wit langs de waterkant
Kenmerken
Esthetiek
Tuinieren
Locatie
Witte aronskelk
De Witte aronskelk, botanisch Lysichiton camtschatcensis, is een moerasplant met een opvallend vroege bloei. In april en mei verschijnen witte schutbladen boven het water, nog voordat het grote blad zich volledig ontvouwt.
Waarom kiezen voor de Lysichiton camtschatcensis
Deze plant valt op door zijn zuivere witte bloeischede die het tuinseizoen aan het water opent. Anders dan de gele soort blijft de bloei helderwit en oogt hij ingetogen. Het is een plant voor natuurlijke, vochtige plekken.
Na de bloei ontwikkelt het gebladerte zich tot brede, glanzende bladeren die tot 60 cm hoog worden. Het bladpakket vult zich in de loop van de zomer en geeft de oever een weelderige, groene structuur.
Waar plant u deze plant van de waterkant
De Witte aronskelk gedijt in de modderige rand van een vijver of in een moerashoek. Kies een plek in halfschaduw met een vochtige, humusrijke en zure bodem. Als oeverplant verdraagt hij een constant natte standplaats, ook met de wortels net onder water.
Deze plant met grote bladeren voelt zich thuis tussen andere waterplanten en langs beschutte beekranden. Combineer hem met varens, dotterbloem of moeraszegge voor een natuurlijk beeld.
Groeit hij traag of vlot in de tuin
De groei verloopt gematigd. In de eerste jaren vestigt de plant zich rustig, daarna vormt hij geleidelijk een stevige pol. Na enkele seizoenen ontstaat een fraaie groep die elk voorjaar terugkeert.
Met een winterhardheid tot -28 °C doorstaat hij de Nederlandse winters zonder bescherming. Vorst deert hem niet zolang de standplaats vochtig blijft.
Praktische tips voor een geslaagde teelt
Enkele eenvoudige gewoontes helpen deze plant jaar na jaar tot bloei te komen.
PRO TIP : Witte aronskelk
Verplant bij voorkeur in het vroege voorjaar (maart tot mei) of in de herfst (september, oktober). De bodem moet dan vochtig zijn. Verstoor de wortels zo weinig mogelijk en zet de plant meteen op een blijvend natte standplaats terug.
De witte aronskelk voelt zich thuis in de drassige oeverzone. De wortels mogen net onder de waterlijn staan, tot enkele centimeters diep. Een blijvend vochtige tot natte modderbodem geeft het beste resultaat.
Kies een zure, humusrijke en vochtige grond. Een mengsel met veen of bladaarde bootst de natuurlijke moerasstandplaats na. Vermijd kalkrijke of droge bodems, want daar groeit de plant slecht.












